Uitspraak 19.001

Geschilnummer: 19.001

Uitspraak 19.001

Datum uitspraak
24 september 2019
Zorgsector
Paramedische zorg (manuele therapie / nekmanipulatie)
Oordeel
Klacht ongegrond
Schadevergoeding
Nee (geen schadevergoeding toegekend)

Partijen

Mevrouw A, hierna te noemen ‘Klaagster’,
tegen
B, gevestigd te C, vertegenwoordigd door D, advocaat, hierna te noemen
“Zorgaanbieder” of “Aangeklaagde”.


1. Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschilleninstantie Zorggeschil (verder te noemen: de Geschilleninstantie) te laten beslechten.

Op de behandeling van het geschil is het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil van toepassing. Namens de Geschilleninstantie hebben aan de behandeling van het geschil deelgenomen:
•

De leden van de Geschilleninstantie die aan de behandeling hebben deelgenomen worden hierna ook wel aangeduid met “de Commissie”. De Commissie is bijgestaan door de ambtelijk secretaris.

De Commissie heeft kennisgenomen van de door Partijen overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 18 september 2019 te Almere. Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht.

  • Klaagster is in persoon ter zitting verschenen;
  • Namens Aangeklaagde zijn ter zitting verschenen D en E.

Verloop van de procedure

  • 23 januari 2019: ontvangst klacht;
  • 7 februari 2019: bevestiging ontvangst klacht, start behandeling geschil;
  • 13 februari 2019: stukken aan Aangeklaagde;
  • 13 maart 2019: verzoek van Aangeklaagde om uitstel verweer;
  • 19 maart 2019: Aangeklaagde laat zich vertegenwoordigen door advocaat;
  • 22 maart 2019: reactie Aangeklaagde op klacht ontvangen;
  • 16 mei 2019: telefonisch overleg Commissie;
  • 20 mei 2019: uitnodiging hoorzitting en verzoek aan partijen om nadere stukken te overleggen, waaronder kopie patiëntendossier;
  • 2 juli 2019: geplande hoorzitting op verzoek klaagster verplaatst;
  • 15 augustus 2019: geplande hoorzitting door probleem locatie verplaatst;
  • 18 september 2019: hoorzitting in aanwezigheid van partijen;
  • 25 september 2019: uitspraak Commissie aan partijen verzonden.

2. Onderwerp van het geschil

Aanleiding

Eind 2012 is door E, hierna tevens te noemen “Aangeklaagde”, drie keer de hoge nekwervel (C1/C2) van Klaagster gemanipuleerd vanwege duizeligheidsklachten. Na de derde behandeling kreeg Klaagster direct hevige scherpe pijn in haar achterhoofd en begon zij ’s avonds te trillen met haar armen en later haar benen.

Volgens Aangeklaagde was dit een soms voorkomende bijwerking van de behandelingen, een overactief zenuwstelsel. Het zou wegtrekken. Klaagster is voor haar klachten naar een neuroloog geweest, doch op de scan was niets te zien. Het ‘wegtrekken’ van het overactieve zenuwstelsel duurde bijna twee jaar.

Vanaf half april 2018 zijn de verschijnselen van het overactieve zenuwstelsel echter teruggekomen. Klaagster heeft hierover een klacht ingediend bij Aangeklaagde, doch dit heeft niet geleid tot een oplossing waarna Klaagster haar klacht heeft voorgelegd aan de Geschilleninstantie.


3. Standpunt Klaagster

De aan de Geschilleninstantie voorgelegde klacht is als volgt:

Volgens Klaagster heeft Aangeklaagde een te groot risico genomen door drie keer de hoge nekwervels te manipuleren. De derde behandeling in december 2012 heeft geleid tot een aantal fysieke klachten zoals duizeligheid, spiertrekkingen en een slechte regulatie van de lichaamstemperatuur. Symptomen die volgens Klaagster lijken op whiplashklachten.

Klaagster stelt dat zij in januari 2019 naar een neuroloog is gegaan. Hier zou zijn aangegeven dat haar klachten duiden op een fasciculatie-syndroom. Of dit schade aan haar spieren heeft veroorzaakt zal volgens Klaagster nog worden onderzocht. De neuroloog heeft haar verteld dat haar klachten mogelijk een reactie zijn van haar lichaam op de schok van de nekmanipulatie in 2012.

Volgens Klaagster zouden verklaringen van twee fysiotherapeuten hierop aansluiten: een fasciculatie-syndroom kennen zij als een gevolg van een ‘whiplash’. Een fasciculatie-syndroom kan afnemen. Wat betreft het opnieuw opspelen van de bijwerking in april 2018: mogelijk zal dit altijd haar zwakke plek blijven.

Klaagster stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat Aangeklaagde haar niet juist heeft behandeld en dat zij als gevolg daarvan nog immer klachten ondervindt. Zij wenst een vorm van schadevergoeding.


4. Standpunt Aangeklaagde

Volgens Aangeklaagde zijn de klachten op geen enkele manier te relateren aan wat Klaagster aanmerkt als de ‘cruciale’ behandeling gegeven door Aangeklaagde.

Dit standpunt is door Aangeklaagde al eerder naar voren gebracht, namelijk in het kader van de klacht die Klaagster heeft ingediend bij de beroepsvereniging F met bemiddeling van de aldaar verantwoordelijke klachtenfunctionaris. Aangeklaagde verwijst naar de brieven d.d. 23 juli 2018 en d.d. 21 september 2018.

Aangeklaagde stelt dat er in de tussenliggende periode van de consulten in 2012 en 2016, wanneer Klaagster weer terugkomt voor consulten bij Aangeklaagde, er nogal wat gebeurd is. Op het intakeformulier, gescand in het elektronisch patiëntendossier 2016, dat Aangeklaagde opnieuw laat invullen door patiënten die één jaar of langer geen behandeling hebben ondergaan, geeft Klaagster zelf aan dat zij haar teen heeft gebroken en een operatie aan haar neus heeft ondergaan. Daarnaast geeft zij ook aan dat zij sport. Zij beoefent yoga, pilates, rent, zwemt en loopt.

Bij het onderdeel ‘belangrijkste klacht’ vult zij in: lage rugpijn. Dit gaat over het intakeformulier van 2016 en staat niet op het intakeformulier dat zij eerder in 2012 heeft ingevuld. Het is niet uit te sluiten dat deze consulten en behandelingen bij andere disciplines, sporten, operatie en/of opgelopen botbreuk, geleid hebben tot de klachten die Klaagster gedurende de afgelopen jaren ervaart.

Belangrijk is het te benadrukken, zoals Klaagster ook erkent, dat er perioden zijn geweest waarin zij klachtenvrij was. Het gaat om een periode van circa zes jaar, waarin Klaagster klachtenvrij was en ook klachten heeft ervaren waarvoor zij bij verschillende behandelaren in behandeling is geweest.


5. Beoordeling van het geschil

Klaagster stelt zich op het standpunt dat Aangeklaagde haar niet juist heeft behandeld en dat zij als gevolg daarvan nog immer klachten ondervindt. Beide stellingen worden door Aangeklaagde gemotiveerd betwist.

Volgens Nederlands recht moet degene die een stelling inneemt, in het geval deze stelling wordt betwist, de juistheid daarvan aantonen. Het is dan ook aan Klaagster om aan te tonen of in hoge mate aannemelijk te maken dat Aangeklaagde haar onjuist heeft behandeld en dat de klachten die zij ondervindt en heeft ondervonden het gevolg zijn van de behandelingen door Aangeklaagde eind 2012.

Klaagster is er zelf van overtuigd dat Aangeklaagde een te groot risico heeft genomen door drie keer de hoge nekwervels te manipuleren en dat haar klachten hier het gevolg van zijn. Door Klaagster wordt hiervoor evenwel geen bewijs aangedragen, bijvoorbeeld in de vorm van medische rapporten en/of verklaringen van deskundigen.

De Commissie heeft alle door partijen ingebrachte stukken zorgvuldig bestudeerd, waaronder het patiëntendossier. De Commissie heeft niets gevonden wat duidt of zou kunnen duiden op ondeskundig of onjuist handelen van Aangeklaagde of kan dienen als onderbouwing van de stelling van Klaagster dat de klachten het gevolg zijn van de behandelingen eind 2012.

Dit geldt tevens voor hetgeen door Partijen mondeling naar voren is gebracht op de hoorzitting. Klaagster heeft nog aangegeven dat het praktisch onmogelijk is om dit te bewijzen. Hierop heeft de voorzitter aangegeven dat de Commissie begrip heeft voor haar situatie maar dat zij onvoldoende aanknopingspunten heeft om te oordelen dat de behandeling van Aangeklaagde de klachten van Klaagster heeft veroorzaakt.

De Commissie heeft er ook begrip voor dat het leveren van bewijs buitengewoon lastig kan zijn, maar is gebonden aan de regels van het bewijsrecht en kan niet oordelen louter op basis van vermoedens.

De Commissie stelt vast dat niet is aangetoond of in voldoende mate aannemelijk is geworden dat Aangeklaagde Klaagster niet juist heeft behandeld. Ook is niet aangetoond of in voldoende mate aannemelijk geworden dat de klachten die Klaagster ondervindt en heeft ondervonden het gevolg zijn van de behandelingen door Aangeklaagde welke hebben plaatsgevonden eind 2012. Er is dan ook geen grond voor toekenning van enige vorm van schadevergoeding.


6. Beslissing

De Commissie acht de klacht ongegrond.

Deze uitspraak heeft de kracht van een bindend advies.


Geschilleninstantie Zorggeschil
Bussum, 24 september 2019

de Voorzitter
mr. W.H. Morselt

Download PDF: Uitspraak 19.001