Uitspraak 20.004

Geschilnummer: 20.004

Uitspraak 20.004

Datum uitspraak
11 december 2020
Zorgsector
Complementaire zorg (homeopathie / bioresonantie)
Oordeel
Klachtonderdeel a ongegrond
Klachtonderdeel b gegrond
Schadevergoeding
Nee (verzoek afgewezen; wel vergoeding van klachtengeld)

Partijen

A, hierna te noemen ‘Klaagster’,
tegen
B, hierna te noemen ‘Aangeklaagde’ of ‘Zorgaanbieder’.


1. Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschilleninstantie Zorggeschil (verder te noemen: de Geschilleninstantie) te laten beslechten.

Op de behandeling van het geschil is het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil van toepassing. Namens de Geschilleninstantie hebben aan de behandeling van het geschil deelgenomen:
• (…)

De leden van de Geschilleninstantie die aan de behandeling hebben deelgenomen worden hierna ook wel aangeduid met ‘de Commissie’. De Commissie is bijgestaan door de ambtelijk secretaris.

De Commissie heeft kennisgenomen van de door Partijen overgelegde stukken, waaronder een kopie van het patiëntendossier.


Verloop van de procedure

  • 8 juli 2020: ontvangst klacht;
  • 28 juli 2020: bevestiging ontvangst klacht, start behandeling geschil;
  • 30 juli 2020: verzoek Klaagster nog stukken aan de klacht te mogen toevoegen;
  • 24 augustus 2020: stukken aan Aangeklaagde;
  • 27 augustus 2020: aanvullende stukken Klaagster ontvangen. De Commissie voegt deze stukken toe aan het procesdossier;
  • 1 september 2020: aanvullende stukken aan Aangeklaagde gezonden;
  • 14 september 2020: Aangeklaagde geeft aan de reactie op de klacht aangetekend te hebben verzonden. Door de Commissie is deze niet ontvangen;
  • 1 oktober 2020: ontvangst reactie Aangeklaagde door de Commissie;
  • 19 oktober 2020: intern beraad Commissie;
  • 20 oktober 2020: desgevraagd geeft Klaagster aan een hoorzitting te wensen;
  • 19 november 2020: hoorzitting via videoverbinding in aanwezigheid van Klaagster en Aangeklaagde, gevolgd door intern beraad Commissie;
  • 11 december 2020: uitspraak Commissie aan partijen verzonden.

2. Onderwerp van het geschil

Aanleiding

Klaagster heeft in december 2019 een afspraak met Aangeklaagde gemaakt voor de behandeling van haar dochter. De afspraak vond plaats op 3 januari 2020. Na een intake is de eerste behandeling gestart. Deze behandeling is een half uur voor afloop afgebroken op initiatief van Klaagster omdat haar dochtertje moe werd. Afgesproken werd dat de behandeling dezelfde avond zou worden afgemaakt. Dit is door Klaagster afgezegd omdat haar dochtertje nog te moe zou zijn.

Na enkele dagen nam Klaagster weer contact met Aangeklaagde op, maar deze gaf aan dat zij de behandeling niet wilde voortzetten. Klaagster stelt dat haar dochter na de eerste behandeling klachten had die een gevolg waren van de behandeling c.q. het stopzetten en niet voortzetten van de behandeling(en). Klaagster en Aangeklaagde zijn buren.


3. Standpunt Klaagster

De aan de Geschilleninstantie voorgelegde klacht bestaat – kort samengevat – uit de navolgende klachtonderdelen:

Klachtonderdeel a. Klachten als gevolg van behandeling

Als gevolg van de behandeling op 3 januari 2020 – deels zelfs tijdens de behandeling – had de dochter van Klaagster hevige verschijnselen gekregen (overprikkeld, druk overdag, vermoeid, huilt veel overdag, schrikt ’s nachts wakker).

Aangeklaagde heeft nagelaten om haar (op tijd) verder te behandelen waardoor haar dochter hevige reacties heeft gekregen wat weken heeft geduurd. Negen dagen later op 12 januari 2020 begon zij ziek te worden met de volgende verschijnselen: rode uitslag op heel haar lichaam. Dagen daarna volgden koorts, overgeven en diarree. Klaagster is twee keer bij de eigen huisarts geweest en drie keer bij de huisartsenpost in een maand tijd. De derde keer is zij met spoed doorgestuurd naar de kinderarts. De kinderarts kon ook geen reden vinden waarom haar kind rode uitslag had op heel haar lichaam en waarom zij zo ziek was. Dit was voor Klaagster de bevestiging dat de behandeling met bioresonantie haar slecht had gedaan.

Klaagster heeft bovenstaande situatie aan een andere homeopaat voorgelegd en hij bevestigde haar dat een acute aandoening, onder andere koorts en uitslag, mogelijk is na de behandeling met bioresonantie.

Klachtonderdeel b. Stopzetten behandelingen

Klaagster stelt dat zij Aangeklaagde in de maand januari 2020 meerdere malen heeft gevraagd om haar dochter verder te behandelen, omdat zij alsmaar ziek bleef. Klaagster wilde dat Aangeklaagde verantwoordelijkheid nam voor het gevolg dat haar behandeling teweeg had gebracht bij haar dochter en wilde dat Aangeklaagde haar dochter verder behandelde zodat haar dochters klachten zouden verdwijnen.

Aangeklaagde reageerde pas 12 dagen later op Klaagsters berichten en deelde op 3 februari 2020 schriftelijk aan Klaagster mede dat zij haar dochter niet meer wenste te behandelen met als reden: “het is voor mij te dichtbij”.

Klaagster is het niet eens met het stopzetten van de behandelingen door Aangeklaagde.

Schadevergoeding

Klaagster acht Aangeklaagde aansprakelijk voor materiële en immateriële schade die Aangeklaagde bij haar dochter en Klaagster teweeg heeft gebracht. Zij verzoekt de Commissie om een schadevergoeding toe te kennen en laat de hoogte daarvan over aan de Commissie.


4. Standpunt Aangeklaagde

Onderstaand zijn de standpunten van Aangeklaagde, voor zover relevant voor de beoordeling, kort samengevat weergegeven.

Aangeklaagde geeft aan dat, hoezeer het haar ook ter harte gaat en zij spijt heeft dat zij als homeopaat niet aan de oorspronkelijke wens van Klaagster om haar dochter te behandelen heeft kunnen voldoen, zij zich niet herkent in de klachtbrief. Ook herkent Aangeklaagde zich niet in de beschrijvingen van hetgeen is gebeurd tijdens en rondom de mislukte opstart van de dochter van Klaagster.

Klachtonderdeel a. Klachten als gevolg van behandeling

Aangeklaagde stelt dat in haar praktijk nog nooit eerder verergering van klachten bij cliënten is voorgekomen na energetische programma’s met bioresonantie. Wel kan enigszins vermoeidheid optreden gedurende één of twee dagen. Dit is ook algemeen bekend.

Ook kan in het begin verergering van klachten plaatsvinden na een ingenomen klassiek homeopathische remedie. Dit heeft Klaagsters dochter uitdrukkelijk niet gehad. Hieraan is Aangeklaagde immers niet toegekomen.

Klachtonderdeel b. Stopzetten behandelingen

Aangeklaagde stelt zich op het standpunt dat zij bij Klaagster haar kwaliteitsstandaard als erkend homeopaat niet kon waarmaken. Dit heeft haar doen besluiten Klaagsters dochter niet opnieuw in behandeling te nemen.


5. Beoordeling van het geschil

– Inleiding –

Veelal worden standpunten ingenomen die door de wederpartij gemotiveerd worden betwist. Daardoor is het voor de Commissie veelal niet duidelijk welk standpunt feitelijk juist is. Volgens Nederlands recht moet degene die een stelling inneemt, in het geval deze stelling gemotiveerd wordt betwist, de juistheid daarvan aantonen. Als Klaagster iets stelt dat door Aangeklaagde gemotiveerd wordt betwist, dan is het aan Klaagster om aan te tonen of in hoge mate aannemelijk te maken dat deze stelling juist is. Kan dit niet worden aangetoond en/of blijkt dit niet uit de schriftelijk overgelegde stukken, dan kan de Commissie niet uitgaan van de juistheid van de stelling.

– Beoordeling –

De Commissie heeft kennisgenomen van de klachtbrief met bijlagen en het verweer met bijlagen, alsmede van hetgeen is besproken op de hoorzitting.

Klachtonderdeel a. Klachten als gevolg van behandeling

De Commissie stelt vast dat Klaagster niet heeft aangetoond, of in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt, dat de klachten van haar dochtertje het gevolg waren van de handelswijze van Aangeklaagde. De Commissie kan dan ook niet anders dan dit onderdeel van de klacht ongegrond verklaren.

Oordeel: de Commissie acht klachtonderdeel a ongegrond.

Klachtonderdeel b. Stopzetten behandelingen

De Commissie stelt vast dat er een behandelingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat deze door Aangeklaagde eenzijdig is beëindigd.

De Commissie is van oordeel dat door Aangeklaagde niet is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij beëindiging van een behandelingsovereenkomst.

Oordeel: de Commissie acht klachtonderdeel b gegrond.

– Schadevergoeding –

De Commissie stelt vast dat het causaal verband tussen het onzorgvuldig beëindigen van de behandelingsovereenkomst en de gestelde schade ontbreekt en wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding af.


6. Beslissing

De Commissie acht klachtonderdeel a ongegrond en klachtonderdeel b gegrond.

De Commissie wijst het verzoek om een schadevergoeding af.

Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is verklaard, dient Aangeklaagde overeenkomstig artikel 13 lid 5 van het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil het door Klaagster aan de Geschilleninstantie betaalde klachtengeld ad € 50 te vergoeden, te betalen binnen 7 dagen nadat zij in kennis is gesteld van de wijze waarop betaling dient plaats te vinden.

Deze uitspraak heeft de kracht van een bindend advies.


Geschilleninstantie Zorggeschil
Bussum, 11 december 2020

de Voorzitter
mr. W.H. Morselt

Download PDF: Uitspraak 20.004