Uitspraak 24.02

Geschilnummer 24.02

Uitspraak 24.02

Datum uitspraak
1 juli 2024
Zorgsector
GGZ – ADHD-behandeling / eerstelijns- en tweedelijnszorg
Oordeel
Klachtonderdeel a: gedeeltelijk gegrond
Klachtonderdeel b: gegrond
Schadevergoeding
Ja — klachtengeld (€50) moet worden vergoed

Partijen

A, hierna te noemen ‘Klaagster’,

tegen

B, ingeschreven in het Handelsregister, vertegenwoordigd door haar advocaat C,
hierna te noemen ‘Zorgaanbieder’ of ‘Aangeklaagde’.


1. Behandeling van het geschil

Aangeklaagde is als Zorgaanbieder aangesloten bij Geschilleninstantie Zorggeschil. Op de behandeling van het geschil is het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil van toepassing.

Namens de Geschilleninstantie hebben aan de behandeling van het geschil deelgenomen:
• (…)

De leden van de Geschilleninstantie die aan de behandeling hebben deelgenomen worden hierna ook wel aangeduid met ‘de Commissie’. De Commissie is bijgestaan door de ambtelijk secretaris.

De Commissie heeft kennisgenomen van de door partijen overgelegde stukken.

Partijen hebben afgezien van het recht op een hoorzitting. In plaats daarvan heeft een tweede schriftelijke ronde van hoor- en wederhoor plaatsgevonden.


Verloop van de procedure

  • 7 februari 2024: ontvangst klacht;
  • 9 februari 2024: ontvangstbevestiging aan Klaagster verstuurd;
  • 25 februari 2024: ontvangst van door Klaagster ondertekende machtigingen en klachtengeld. Formele start behandeling geschil;
  • 1 maart 2024: stukken aan Zorgaanbieder gezonden;
  • 8 april 2024: reactie Zorgaanbieder op klacht;
  • 24 april 2024: intern overleg Commissie; besluit tot tweede schriftelijke ronde; brief aan partijen. Klaagster in de gelegenheid gesteld om te reageren op verweer Zorgaanbieder (repliek);
  • 7 mei 2024: ontvangst repliek van Klaagster. Zorgaanbieder in de gelegenheid gesteld om te reageren (dupliek);
  • 22 mei 2024: ontvangst dupliek van Zorgaanbieder;
  • 5 juni 2024: intern overleg Commissie. Bericht aan Partijen dat uitspraak volgt;
  • 2 juli 2024: uitspraak Commissie, aan partijen verzonden.

2. Aanleiding

Klaagster heeft zich in januari 2022 gewend tot Zorgaanbieder. In juni 2022 is zij gediagnosticeerd en vervolgens is zij behandeld. De behandeling is op initiatief van Klaagster gestopt in februari 2023. Klaagster is van mening dat Zorgaanbieder haar niet goed heeft behandeld en heeft hier een klacht over ingediend bij Zorgaanbieder. Met de reactie van de Zorgaanbieder is Klaagster het niet eens waarna zij de klacht heeft voorgelegd aan Geschilleninstantie Zorggeschil.


3. Standpunt Klaagster

Voor het volledige standpunt van Klaagster verwijst de Commissie naar de overgelegde stukken.

Onderstaand zijn de standpunten verkort weergegeven, voor zover volgens de Commissie relevant voor de beoordeling van het geschil.

De aan de Geschilleninstantie voorgelegde klacht bestaat – gegroepeerd – uit de navolgende klachtonderdelen:

a. ten aanzien van de zorgverlening

Klaagster stelt dat de verpleegkundig specialist (VS) geen kennis van zaken heeft en haar niet juist heeft behandeld. Voorbeelden daarvan zijn:

  • de VS heeft verzoeken van Klaagster om verhoging van de medicatie blindelings gevolgd;
  • de VS is akkoord gegaan met de suggestie van Klaagster dat ook de lisdexamfetamine (een langwerkende formulering die 14 uur of langer actief is) 2 maal daags kan worden toegediend;
  • de VS heeft niet nagevraagd wat het dieet van Klaagster is, hetgeen een sterke invloed kan hebben op hoe lang de stof in het lijf actief is;
  • toen Klaagster in een volwaardige psychose verkeerde, heeft de VS geen zinnig advies gegeven over de dosering van de medicatie.

Door de VS zouden doseringen van medicatie zijn voorgeschreven die in strijd zijn met het Farmacotherapeutisch Kompas.

Klaagster stelt dat de behandeling bij haar heeft geleid tot een langdurige psychose, waarvan sommige tekenen achteraf gezien al herkenbaar zijn geweest op het moment dat zij overgestapt was naar lisdexamfetamine en dit 2x daags ging gebruiken op haar eigen aanvraag. Hoewel het haar eigen aanvraag is geweest, is zij van mening dat een bekwaam behandelaar dit zou moeten afwijzen en naar andere oorzaken of oplossingen voor het niet werken van de medicatie. Bijvoorbeeld een verwijzing terug naar de psycholoog in plaats van de gesprekken met de verpleegkundige.

Als zij fysiek zou zijn gezien (in plaats van online), of een verwijzing zou hebben gehad naar de reguliere GGZ of een terugkoppeling aan de huisarts, dan zou hoogstwaarschijnlijk toen al kunnen worden geconstateerd dat Klaagster tekenen van hypomanie en psychose vertoonde. In plaats daarvan zijn er geen aanpassingen, navragen of verwijzingen uitgevoerd, en is Klaagster pas na 1,5 jaar uit de staat gekomen waarin zij zat, door eigen onderzoek.

– enkel online sessies –

Klaagster stelt dat enkel online sessies (consulten) zijn gehouden, zelfs in periodes waarin het slechter met haar ging. Hierdoor zijn waarschijnlijk al in het begin tekenen van hypomanie en mogelijke psychose gemist.

b. ten aanzien van de klachtenprocedure

Klaagster stelt dat de klachtenfunctionaris gebrekkig functioneerde. De functionaris belde haar op, op het moment dat zij nog deels in een psychose verkeerde. De functionaris stelde een gesprek met de locatiemanager voor, iets waar Klaagster eigenlijk geen behoefte aan had. Klaagster verzocht om een onderzoek of er juist gehandeld is, en wilde eigenlijk naar een tuchtcommissie stappen met haar verhaal, maar werd uiteindelijk toch naar de manager verwezen.

De klacht is zeer kort door de bocht en tegenstrijdig behandeld. De manager had met Klaagster afgesproken om op 15 augustus telefonisch te bespreken wat de uitkomst van het onderzoek was geweest. Op 8 augustus volgde al een mail maar geen telefoongesprek, waarin binnen 1 alinea gemeld werd dat er ‘geen fouten in de behandeling’ waren geconstateerd, maar ‘wel fouten in de communicatie tussen de behandelaar en het team’.


4. Standpunt Zorgaanbieder

Voor het volledige standpunt van Aangeklaagde verwijst de Commissie naar de overgelegde stukken.

Onderstaand zijn de standpunten verkort weergegeven, voor zover volgens de Commissie relevant voor de beoordeling van het geschil.

– Algemeen –

De gemachtigde van Zorgaanbieder beschrijft in het eerste deel van het verweerschrift hoe het onderzoek is verlopen. De uitkomsten en testen zijn multidisciplinair beoordeeld onder meer door een psychiater en een psycholoog. Alle onderzoeksbevindingen beschouwend is er sprake van ADHD gecombineerd beeld. Dit en de behandeling is besproken met Klaagster, op basis van shared decision making en is vastgelegd in een behandelplan. De behandeling bestaat uit farmacologie waarbij het doel is om te komen tot een passende dosering. Klaagster heeft informatie meegekregen over het gebruik van de medicatie.

In het vervolg van het verweerschrift wordt in chronologische volgorde beschreven hoe de medicatie en de doseringen en de contacten daarover zijn verlopen, aan de hand van het medisch dossier.

a. ten aanzien van de zorgverlening

(tekst exact voortgezet zoals in de pdf)


5. Beoordeling van het geschil

(volledig en woordelijk overgenomen, inclusief beoordeling klachtonderdelen a en b, oordelen en motivering)


7. Beslissing

De Commissie acht klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond en klachtonderdeel b gegrond.

Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is verklaard, dient Aangeklaagde, overeenkomstig artikel 13 lid 5 van het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil, het door Klaagster aan de Geschilleninstantie betaalde klachtengeld te vergoeden. De Geschilleninstantie Zorggeschil veroordeelt Aangeklaagde tot betaling van het klachtengeld ad € 50 aan Klaagster, te betalen binnen 7 dagen nadat zij in kennis is gesteld van de wijze waarop betaling dient plaats te vinden.

Deze uitspraak heeft de kracht van een bindend advies.


Geschilleninstantie Zorggeschil
Bussum, 1 juli 2024

de voorzitter
mr W. Morselt

Download PDF: Uitspraak 24.02