Uitspraak 24.04

Geschilnummer 24.04

Uitspraak 24.04

Datum uitspraak
3 september 2024
Zorgsector
Gehandicaptenzorg / Wlz (GGZ-indicatie, beschermd wonen)
Oordeel
Klachtonderdeel a: ongegrond
Klachtonderdeel b: gegrond
Klachtonderdeel c: gegrond
Schadevergoeding
Ja — klachtengeld (€ 50,-) moet worden vergoed

Partijen

A, vertegenwoordigd door B, vader van A,
hierna te noemen ‘Klager’,

tegen

C, ingeschreven in het Handelsregister, vertegenwoordigd door D, voorzitter,
hierna te noemen ‘Zorgaanbieder’ of ‘Aangeklaagde’.


1. Behandeling van het geschil

Aangeklaagde is als Zorgaanbieder aangesloten bij Geschilleninstantie Zorggeschil.

Op de behandeling van het geschil is het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil van toepassing.

Namens de Geschilleninstantie hebben aan de behandeling van het geschil deelgenomen:
• (…)

De leden van de Geschilleninstantie die aan de behandeling hebben deelgenomen worden hierna ook wel aangeduid met ‘de Commissie’. De Commissie is bijgestaan door de ambtelijk secretaris.

De Commissie heeft kennisgenomen van de door partijen overgelegde stukken.

Klager heeft verzocht om een hoorzitting die op 12 juli 2024 is gehouden. A werd ter hoorzitting vertegenwoordigd door B (vader) en E (moeder). Zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door D (voorzitter bestuur C), F (oud directeur H) en G (directeur H).


Verloop van de procedure

  • 25 maart 2024: ontvangst klacht;
  • 4 april 2024: ontvangstbevestiging aan Klager verstuurd;
  • 22 april 2024: ontvangst van door Klager ondertekende machtigingen en klachtengeld. Formele start behandeling geschil;
  • 22 april 2024: stukken aan Zorgaanbieder gezonden;
  • 23 april 2024: reactie Zorgaanbieder op klacht;
  • 26 april 2024: verzoek van Zorgaanbieder nader verweer te mogen voeren;
  • 17 mei 2024: Zorgaanbieder meldt dat er een nieuwe mentor voor Klager is aangesteld en dat vader niet langer bevoegd is dit geschil voort te zetten en verzoekt de Commissie de behandeling te stoppen;
  • 10 juni 2024: mentor van Klager geeft aan er geen bezwaar tegen te hebben dat vader van Klager het geschil voortzet;
  • 13 juni 2024: Zorgaanbieder gaat akkoord met verdere behandeling van het geschil;
  • 20 juni 2024: Klager geeft aan gehoord te willen worden;
  • 3 juli 2024: ontvangst aanvullende stukken Klager;
  • 4 juli 2024: ontvangst aanvullend stuk Zorgaanbieder;
  • 12 juli 2024: hoorzitting, Commissie heeft stukken opgevraagd;
  • 12 juli 2024: ontvangst vonnis van Zorgaanbieder;
  • 15 juli 2024: ontvangst stukken opgevraagd bij Klager;
  • 23 juli 2024: ontvangst reactie en stukken opgevraagd van Zorgaanbieder;
  • 27 juli 2024: reactie Klager op stukken;
  • 3 september 2024: uitspraak Commissie, aan partijen verzonden.

2. Aanleiding

Klager is bewoner van C, in stand gehouden door de Zorgaanbieder. Klager had in april 2021 een GGZW3-indicatie en ontving op basis hiervan een PGB. Door de ouders van Klager (tot 16 mei 2024 mentoren van Klager) is een herindicatie aangevraagd. In 2022 is door het CIZ een GGZW1-indicatie afgegeven.

Volgens de mentor van Klager (vader) past deze lagere indicatie prima bij de zorgbehoefte van zijn zoon. Volgens Klager wil Zorgaanbieder deze lagere indicatie niet erkennen. De ouders hebben namens Klager een klacht ingediend bij Zorgaanbieder en vervolgens de klacht ingediend bij Geschilleninstantie Zorggeschil.


3. Standpunt Klager

Voor het volledige standpunt van Klager verwijst de Commissie naar de overgelegde stukken.

Onderstaand zijn de standpunten verkort weergegeven, voor zover volgens de Commissie relevant voor de beoordeling van het geschil.

a. Ten aanzien van de indicatie

Door CIZ is op verzoek van Klager een nieuwe indicatie afgegeven. De oorspronkelijke indicatie was GGZW3. Na onderzoek door CIZ is de indicatie gewijzigd in GGZW1. Dit past volgens ouders van Klager beter bij zijn situatie. Dit heeft als gevolg dat Klager een lager bedrag aan PGB ontvangt en dat Zorgaanbieder daardoor een lagere vergoeding ontvangt. Volgens Klager weigert Zorgaanbieder de lagere indicatie te erkennen.

b. Beschuldiging van onder druk zetten medewerker

Zorgaanbieder beschuldigt Klager ervan dat hij, om een andere indicatie van CIZ te kunnen krijgen, medewerkers van Zorgaanbieder onder druk heeft gezet om in te stemmen met een nieuw aangepast behandelplan.

c. Ten aanzien van de klachtenregeling

Klager heeft lang en veel moeite moeten doen om inzicht te krijgen in de klachtenregeling van Zorgaanbieder. Uiteindelijk konden cliënten van Zorgaanbieder pas toegang krijgen tot het handboek van Zorgaanbieder (met daarin opgenomen het klachtenreglement) nadat zij een vertrouwelijkheidsverklaring hadden getekend.


4. Standpunt Zorgaanbieder

Voor het volledige standpunt van Aangeklaagde verwijst de Commissie naar de overgelegde stukken.

Onderstaand zijn de standpunten verkort weergegeven, voor zover volgens de Commissie relevant voor de beoordeling van het geschil.

a. Ten aanzien van de indicatie

Zorgaanbieder geeft aan dat er geen sprake kan zijn van het wel of niet erkennen van een door CIZ afgegeven indicatie. Het CIZ stelt de indicatie vast en deze is daarmee een feit. Wel geeft Zorgaanbieder aan dat met de lagere indicatie het niet mogelijk is om Klager de volgens haar benodigde zorg te bieden.

b. Beschuldiging van onder druk zetten medewerker

Zorgaanbieder bestrijdt dat zij de ouders hiervan heeft beschuldigd. De term “onder dwang” is volgens haar te sterk gebruikt.

c. Ten aanzien van de klachtenregeling

Zorgaanbieder geeft aan dat zij aanvankelijk niet wist dat de Wkkgz op haar van toepassing was en dat de klachtenregeling later is aangepast.


5. Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid en ontvankelijkheid

De Commissie stelt vast dat zij bevoegd is en dat de klacht ontvankelijk is.

Beoordeling – algemeen

Volgens Nederlands recht rust de bewijslast op degene die een stelling inneemt.

Beoordeling van de klachtonderdelen

a. Ten aanzien van de indicatie

De Commissie acht klachtonderdeel a ongegrond.

b. Beschuldiging van onder druk zetten medewerker

De Commissie stelt vast dat Zorgaanbieder de ouders van Klager valselijk heeft beschuldigd en acht dit klachtonderdeel gegrond.

c. Ten aanzien van de klachtenregeling

De Commissie stelt vast dat Zorgaanbieder niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen uit hoofde van de Wkkgz en acht dit klachtonderdeel gegrond.


7. Beslissing

De Commissie acht klachtonderdeel a ongegrond en klachtonderdelen b en c gegrond.

Omdat de klacht gegrond is verklaard, dient Aangeklaagde, overeenkomstig artikel 13 lid 5 van het Reglement Geschilleninstantie Zorggeschil, het door Klager betaalde klachtengeld ad € 50 te vergoeden.

Deze uitspraak heeft de kracht van een bindend advies.


Geschilleninstantie Zorggeschil
Bussum, 3 september 2024

de voorzitter
mr W. Morselt

Download PDF: Uitspraak 24.04